In een online stemming van 3.841 onderwijsmedewerkers kreeg een driedaags stakingsplan de meeste stemmen: eerst Alicante, daarna Valencia en vervolgens Castellón. Het lijkt een heldere uitslag, totdat je het getal naast de omvang van het openbare onderwijs in de regio legt. Minder dan vijf procent van het personeel deed mee.
Dat maakt de stemming niet onbelangrijk; zij laat wel zien welke vorm van actie de mensen die reageerden het meest haalbaar vinden. Zestig procent stemde volledig in met de voorgestelde routekaart, 32 procent steunde de grote lijn maar wilde aanpassingen, en 7 procent wilde een andere aanpak. De voorkeur ging met 46 procent naar de drie dagen in januari; 40 procent koos voor een vergelijkbare reeks begin februari.
Voor gezinnen in Valencia is een onderwijsstaking zelden een abstract politiek woord. Zij verschijnt als een bericht in een oudergroep, een vraag over opvang, een verschoven werkdag en een kind dat wil weten of de les doorgaat. Voor docenten is dezelfde dag een keuze tussen zichtbaar zijn op straat en aanwezig zijn voor de klas die zij juist proberen te verdedigen.
Een provincie per dag is meer dan een logistieke keuze
De gekozen formule verdeelt de staking over drie dagen en drie provincies: Alicante op 19 januari, Valencia op 20 januari en Castellón op 21 januari. Daardoor krijgt elke hoofdstad een eigen moment, in plaats van één regionale actiedag waarop iedereen tegelijk ontbreekt. Voor wie in Valencia woont, blijft het protest daardoor dichter bij de eigen schoolpoort en het eigen kantoor van de onderwijsadministratie.
Zo'n rooster erkent ook een eenvoudige geografische werkelijkheid. De Comunitat Valenciana is geen stad met één plein waar iedereen vanzelf samenkomt. Een docent uit een buitenwijk van Valencia, een gezin in l'Horta en een schoolmedewerker die van verder moet pendelen, betalen elk anders voor een dag actie: in uren, vervoer, gemiste lessen of geregelde kinderopvang.
De verdeling verlaagt de drempel voor een lokale aanwezigheid, maar versnippert ook de aandacht. Een grote gezamenlijke stilstand is onmiddellijk voelbaar; drie opeenvolgende dagen vragen om langer kijken. Dat is precies de spanning die in veel onderwijsprotesten terugkomt: maximale druk organiseren zonder de gemeenschap waarvoor men opkomt nodeloos uit te putten.
De schoolpoort als plek waar werk en zorg elkaar raken
Arbeidsvoorwaarden vormen de achtergrond van de onderhandelingen die de organisaties opnieuw willen openen. Op papier klinkt dat als een gesprek tussen vakbonden en de Conselleria de Educación. In de praktijk loopt het door de gangen van scholen: langs het rooster, de vervanging bij ziekte, de voorbereiding thuis en de vraag wie de klas opvangt wanneer iemand naar een bijeenkomst gaat.
Dat is waarom onderwijsactie in Valencia vaak verder reikt dan personeel alleen. De voorgestelde concentraties zijn niet uitsluitend op docenten gericht, maar ook op leerlingen, families en ander onderwijspersoneel. Wie bij een school wacht, ziet die verschillende belangen elke ochtend naast elkaar staan: ouders met haast, kinderen met rugzakken en werknemers die de dag al vóór de eerste bel hebben gepland.
Een stakingsdag vraagt dus iets van mensen die het conflict niet zelf aan tafel voeren. Sommige ouders kunnen een middag thuiswerken; anderen niet. Sommige leerlingen merken vooral een vrije dag, anderen missen een les waarop zij rekenden. Een protest dat draagvlak wil behouden, moet die ongelijkheid niet wegpoetsen. Juist door haar te erkennen kan het uitleggen waarom betere omstandigheden voor personeel ook over de continuïteit van een schooldag gaan.
Groen is hier een ritme, geen decor
Naast de stakingsdagen staat een reeks concentraties onder de naam Noviembre Verde op het programma. Het idee is eenvoudig: korte bijeenkomsten bij de zetel van de Conselleria, territoriale diensten en andere strategische plekken, zowel in de ochtend als later op de dag. Geen eenmalig spektakel, maar een patroon dat telkens weer opduikt.
De deelnemers aan de raadpleging temperen dat beeld meteen. Zestig procent van hen zei hoogstens één dag per week aan die concentraties te willen deelnemen; 19 procent koos voor twee dagen. Dat is geen detail over enthousiasme. Het vertelt hoe protest in een beroep met volle dagen moet passen tussen lessen, correctiewerk, vergaderingen en een leven buiten de school.
Een beweging die dagelijks zichtbaar wil zijn, kan niet verwachten dat dezelfde mensen dagelijks verschijnen. Daarom zijn beurtrollen en verschillende tijdstippen meer dan organisatiejargon. Ze bepalen of iemand die om acht uur voor de klas staat, of iemand die pas na werk een kind kan ophalen, überhaupt mee kan doen. Duurzame actie wordt vaak gebouwd met kleine, herhaalbare afspraken.
De stille meerderheid staat niet noodzakelijk aan de andere kant
Een opkomst van minder dan vijf procent nodigt uit tot snelle conclusies: onverschilligheid, vermoeidheid, afnemende steun. Geen daarvan volgt automatisch uit een niet-ingevuld formulier. Een digitale raadpleging vraagt dat iemand de informatie ziet, tijd maakt, zich registreert en het gevoel heeft dat één stem verschil kan maken. Wie zwijgt, kan tegen staking zijn, maar ook te druk, sceptisch over de procedure of eenvoudigweg niet bereikt.
Dat onderscheid doet ertoe voor iedereen die de uitslag leest. De 46 procent voor januari is een duidelijke voorkeur binnen de groep die deelnam, geen referendum over alle openbare scholen. Tegelijkertijd laat de brede steun voor de routekaart onder die deelnemers zien dat er nog altijd een georganiseerde kern bestaat die onderhandelingen niet aan het toeval wil overlaten.
Valencia zal onderwijsconflicten blijven merken aan briefjes in rugzakken en aan groepen voor overheidsgebouwen, niet alleen aan percentages. De interessantste vraag is daarom niet of een protest groot genoeg oogt op één foto, maar of het een gesprek kan openen waarin docenten, families en bestuurders dezelfde schooldag eindelijk als gedeelde verantwoordelijkheid behandelen.



