Om elf uur ’s ochtends stopte een fietser bij het strand van Garrofera op een terras voor een bocadillo met paardenvlees en jonge knoflook. Daarna reed hij verder om de pineda te bekijken, waar na de recente brand naar verluidt nog altijd een brandlucht hing. In dat weinig toeristische en al evenmin heldhaftige detail zit veel van het Valencia van nu: de vertrouwde route ligt er nog, de zee ruist als altijd, maar daarnaast loopt plots een zwarte strook die zich niet laat negeren.
We noemen de Devesa graag de longen van de stad, de Albufera haar natuurlijke schild en de rijstpercelen het landschap zonder hetwelk paella ondenkbaar is. Het zijn handige woorden: ze maken van de natuur een eeuwig decor. Maar een decor hoeft niet te worden vrijgemaakt, vraagt geen toezicht na een brand en staat niet om half zes op om de balans van het zaaiseizoen rond te krijgen. Het werkelijke landschap van Valencia lijkt vandaag minder op een ansichtkaart dan op een ingewikkeld systeem waarin één zwakke schakel alle andere kwetsbaar maakt.
Na de brand is snelheid niet het belangrijkst
In Poblats del Sud heeft de brand een bijzonder zichtbare vraag achtergelaten: wat betekent het eigenlijk om een bos te ‘herstellen’? Volgens berichten heeft het vuur 37 hectare van de Devesa getroffen. Bij zo’n bericht is het verleidelijk om meteen nieuwe bomen te eisen: jonge aanplant oogt goed op beeld en wekt de indruk dat de ramp is afgedaan. Maar een bos houdt zich niet aan de kalender van persconferenties.
Bosbouwspecialisten stellen volgens berichten voor om het gebied eerst naar schadegraad in te delen, gevaarlijke bomen te beoordelen en tijd te laten uitwijzen wat er op eigen kracht kan herstellen. Dat is geen oproep om alles op zijn beloop te laten. Het is een pleidooi om goed te kijken: waar moet worden opgeruimd, hoe ga je om met houtresten, welke delen kunnen vanzelf weer opveren en welke veranderen zonder hulp in een ander, schraler milieu.
In dat licht klinkt het debat over een zone die in 2024 brandde extra wrang. De oppositie in de gemeenteraad stelt dat er daar nog steeds vooral riet en onkruid groeien; de stadsdiensten verklaarden de eerdere aanpak volgens berichten met het verwijderen van bomen die konden omvallen en met toezicht op het terrein. Voor bewoners is minder van belang wie het debat wint dan dat herstel zich niet laat afmeten aan één aankondiging. Als een plek twee jaar lang onderwerp blijft van wederzijdse verwijten, leert zij de stad een slechte gewoonte aan: het begin van werkzaamheden verwarren met het resultaat ervan.
Water is geen achtergronddecor
Bij de Albufera is diezelfde afhankelijkheid van beheer niet zichtbaar in verkoolde stammen, maar in het water dat je doorgaans alleen opmerkt aan de glinstering achter de rijstvelden. Volgens berichten heeft een onderzoek vastgesteld dat het wetland Tancat de la Pipa 36% tegenhoudt van het microplastic dat binnenkomt via het kanaal van Catarroja en de monding van de barranco del Poyo. Dat cijfer is niet belangrijk als reden om de overwinning uit te roepen, maar juist omgekeerd: zelfs een groene barrière die werkt, neemt niet weg dat er een stroom vervuiling op af blijft komen.
Over het onderzoek zelf en waarom dit filter het probleem niet volledig oplost, schreven we uitvoerig eerder. Hier telt een andere conclusie. In Valencia is er steeds minder reden om het ‘stedelijke’ van het ‘natuurlijke’ te scheiden: een plasticdeeltje houdt zich niet aan de grens tussen wijk, weg, kanaal en lagune. Het volgt een route die mensen hebben aangelegd met drainage, vervoer en de gewoonte om het overtollige weg te gooien.
Het riet aan de waterkant is daarom geen romantische begroeiing, maar onderdeel van de stedelijke infrastructuur — levend en onvolmaakt. Je kunt het niet beschouwen als een gratis filter dat alles maar moet kunnen verwerken. Het verdient dezelfde nuchtere behandeling als elk technisch bouwwerk: ken de grenzen ervan, overbelast het niet en houd de staat ervan in de gaten. Anders wordt ‘groen’ een woord waarmee we niet naar de bron van het probleem hoeven te kijken.
Ook het rijstveld is infrastructuur
De stilste scheur in dit systeem loopt door de rijstpercelen. Volgens berichten sluit een 51-jarige rijstteler uit Catarroja, die percelen bewerkt in Catarroja, Silla, Sollana en Sueca, niet uit dat de volgende campagne zijn laatste wordt: de kosten voor brandstof, meststoffen, zaden en gewasbeschermingsmiddelen vreten zijn inkomsten op. Zijn opmerking dat hij beter thuis kan blijven als hij verlies draait, klinkt pas bot zolang je niet bedenkt hoeveel mensen dit werk moeten blijven doen opdat het vertrouwde landschap überhaupt behouden blijft.
Rijstvelden leveren niet alleen ingrediënten voor restaurantmenu’s en een fraaie horizon in de herfst. Ze zijn werk, kennis van water en een seizoensritme waarin de lagune en haar omgeving al tientallen jaren bestaan. Wanneer mensen uit dit vak verdwijnen, verliest de stad niet louter abstract ‘erfgoed’, maar ook het vermogen om grond te onderhouden die later met bestuurlijke programma’s veel duurder en ingewikkelder te redden zal zijn.
In die zin vertellen de verbrande pineda, het waterfilter en een bedrijf waarvan de rekensom niet meer klopt hetzelfde verhaal. Voor Valencia volstaat het niet om in het weekend van de Albufera te houden en de Devesa na een brand met woorden te verdedigen. De natuurlijke gordel rond de stad rust op langdurig, weinig spectaculair werk — op rekenen, geduld en verantwoordelijkheid voor de gevolgen. Wanneer de weg naar El Saler de volgende keer langs zwarte dennen, riet en rijstpercelen voert, is het de moeite waard niet drie afzonderlijke landschappen te zien, maar één systeem dat niet herstelt wanneer wij dat wensen.



